Pasen·9 april·dag 99
Ons hart stond in brand
Twee mensen lopen weg van Jeruzalem, teleurgesteld. Een vreemdeling loopt mee. Pas als Hij het brood breekt, zien ze wie het is.
Terwijl ze daar zo over liepen te praten, kwam Jezus Zelf bij hen. Hij liep met hen mee. Maar het was net alsof er iets met hun ogen was, want ze herkenden Hem niet. (…) Toen Hij met hen aan tafel zat, nam Hij het brood, zegende het, brak het in stukken en deelde het aan hen uit. Toen was het alsof hun ogen open gingen en ze herkenden Hem. Op dat moment verdween Hij zomaar. En ze zeiden tegen elkaar: “Het was ook net alsof ons hart in brand stond toen Hij onderweg met ons praatte.”
Twee leerlingen, niet van de twaalf, gewone mensen. Ze lopen naar huis, achttien kilometer, en praten over alles wat er is misgegaan. Ze hadden gehoopt dat Hij het zou zijn. Hij was het niet. Einde.
En dan loopt er iemand mee. Hij vraagt waar ze het over hebben. Ze vertellen het hele verhaal, tot en met het lege graf, en trekken de verkeerde conclusie. Hij begint uit te leggen, vanaf Mozes, hoe het allemaal in elkaar zit. Achttien kilometer lang.
Ze herkennen Hem niet. Hun ogen zijn dicht, staat er, alsof het ze niet lukt.
Pas bij de tafel. Hij pakt het brood, zegent het, breekt het. Precies zoals op die laatste avond. En dan zien ze het, en dan is Hij weg.
Wat ze daarna zeggen, is het mooiste: ons hart stond in brand toen Hij met ons praatte. Ze hadden het al gevoeld, onderweg. Ze wisten het alleen nog niet.
Ik denk dat dit vaker gebeurt dan we doorhebben. Een gesprek dat je warm maakte zonder dat je wist waarom. Een tekst die ineens openging. Een moment aan tafel. Hij was er. Je zag het pas achteraf.
Kijk vandaag terug op de afgelopen weken. Waar stond je hart in brand?
Bron: Lucas 24:13-16, 28-32 (BasisBijbel)