Heilige Geest·1 mei·dag 121
Wind en vuur
Nieuwe maand: de Heilige Geest. Het begint met een verhaal dat klinkt als een storm, en eindigt met bange mensen die de straat op gaan.
Op het Pinksterfeest waren ze allemaal bij elkaar. Plotseling was er een geluid alsof er een stormwind door het hele huis waaide. En er waren een soort van vuurvlammen te zien. Dat vuur verdeelde zich en kwam op hen allemaal. En ze werden allemaal vol van de Heilige Geest en begonnen allemaal in andere talen te spreken.
Tien dagen hebben ze gewacht. Jezus had gezegd: blijf in de stad tot je kracht van boven krijgt. Dus zaten ze daar, honderdtwintig mensen, biddend, wachtend, zonder te weten waarop.
En dan: wind. Vuur. Talen. Alles in de Bijbel wat bij God hoort, komt tegelijk: de adem van de schepping, het vuur van de Sinaï, en de taalverwarring van Babel die wordt teruggedraaid. Iedereen hoort het goede nieuws in zijn eigen taal.
Let op het woordje allemaal. Het staat er drie keer. Niet alleen de apostelen, niet alleen de mannen, niet alleen de vromen. Allemaal. De Geest maakt geen onderscheid.
Deze maand gaat over Hem. De Persoon van God van wie de meeste mensen het minst weten, en zonder wie niets van het christelijk geloof werkt. Je kunt Jezus niet volgen op eigen kracht. Dat hebben de leerlingen bewezen. Je hebt adem nodig.
Vandaag doe je één ding: zeg, ergens op de dag, hardop: Kom, Heilige Geest. Meer niet. Het is het oudste gebed van de kerk, en het werkt nog steeds.
Bron: Handelingen 2:1-4 (BasisBijbel)