Dienen·8 juni·dag 159
Het is niet je taak
Er is een zin die dienen bijna altijd tegenhoudt: dat is mijn taak niet. Jezus heeft die zin nooit gebruikt.
Dat is niet mijn taak. Het is een zin met een goede reden. Als iedereen alles doet, wordt het een chaos. Er zijn afspraken, verantwoordelijkheden, rollen. Wie zich niet aan zijn rol houdt, wordt een probleem.
Maar de zin heeft ook een schaduw. Het is de zin die de priester dacht bij de man in de berm. Het is de zin die twaalf leerlingen dachten toen de voeten niet gewassen waren. Het is de zin waarmee wij elke dag een stuk werk laten liggen en elke dag een mens voorbijlopen.
Jezus deed alles wat niet zijn taak was. Voeten wassen was slavenwerk. Eten met tollenaars was voor niemand. Kinderen zegenen was tijdverspilling. Een melaatse aanraken was verboden. Sterven voor schuldigen was, naar elke menselijke maatstaf, absurd.
En dat noemen we dienen: niet wat je moet, maar wat je doet omdat er iemand is die het nodig heeft.
Het rare is dat je het meteen herkent als iemand het doet. De collega die blijft om te helpen terwijl zijn dienst erop zit. De buurvrouw die je kinderen opvangt zonder dat je het vroeg. De tiener die opstaat in de bus. Niemand zegt: dat was hun taak. Iedereen zegt: dat was mooi.
Vandaag: elke keer dat je “niet mijn taak” denkt, stel je één vraag. Klopt dat, of is dit het moment?