Dienen·9 juni·dag 160
Voor Mij gedaan
Jezus zegt dat je Hem elke dag tegenkomt. Niet in de kerk, maar in wie honger heeft, ziek is of vastzit. En dat je het meestal niet doorhebt.
Want toen Ik honger had, hebben jullie Mij te eten gegeven. Toen Ik dorst had, hebben jullie Mij te drinken gegeven. Toen Ik een vreemdeling was, hebben jullie Mij in huis genomen. Toen Ik geen kleren had, hebben jullie Mij kleren gegeven. Toen Ik ziek was, hebben jullie Mij opgezocht. Toen Ik in de gevangenis zat, hebben jullie Mij bezocht. (…) Luister goed! Ik zeg jullie: toen jullie die dingen voor één van mijn minst belangrijke broeders of zusters deden, hebben jullie ze ook voor Míj gedaan.
Dit is het laatste verhaal dat Jezus vertelt voordat Hij gearresteerd wordt. Zijn testament, bijna. En het gaat niet over geloofsleer. Het gaat over eten, drinken, kleren, bezoek.
Het meest opvallende zit in de reactie van de mensen: Heer, wanneer dan? Ze wisten het niet. Ze hadden geen idee dat ze Jezus dienden. Ze zagen gewoon iemand met honger en gaven brood.
Dat is een troost en een waarschuwing tegelijk.
De troost: je hoeft geen grote geestelijke ervaring te hebben om Jezus te dienen. Je hoeft alleen te zien wie er honger heeft. De verpleegkundige, de vrijwilliger bij de voedselbank, de moeder die ’s nachts opstaat: zij dienen Hem, of ze het weten of niet.
De waarschuwing: je kunt Hem ook voorbijlopen zonder het te weten. In de vreemdeling die je wegkijkt, de zieke die je niet bezoekt, de gevangene aan wie je niet denkt.
Zes werkwoorden: te eten geven, te drinken geven, in huis nemen, kleden, opzoeken, bezoeken. Kies er vandaag één en doe het. Je komt Hem tegen.
Bron: Matteüs 25:35-36, 40 (BasisBijbel)