Vergeving & Genade·2 oktober·dag 275
Toen hij nog ver weg was
Het bekendste verhaal van Jezus, en het draait om één zin: de vader zag hem al toen hij nog ver weg was. Hij stond dus te kijken.
“Ik zal naar mijn vader gaan. Ik zal tegen hem zeggen: ‘Vader, ik heb verkeerd gedaan tegen God en tegen u. Ik ben het niet meer waard om uw zoon te zijn. Mag ik alstublieft als knecht bij u komen werken.’” En hij ging naar zijn vader terug. Toen hij nog ver weg was, zag zijn vader hem aankomen. Hij had medelijden met hem. Hij liep hem snel tegemoet, omhelsde hem en kuste hem. De zoon zei: “Vader, ik heb verkeerd gedaan tegen God en tegen u. Ik ben het niet meer waard om uw zoon te zijn.” Maar de vader zei tegen zijn dienaren: “Breng vlug de beste kleren hier en trek hem die aan. Doe een zegelring aan zijn vinger en trek hem schoenen aan. En haal het vetgemeste kalf en slacht het. Want we gaan feestvieren.”
De zoon heeft een toespraak voorbereid. Drie zinnen, keurig: ik heb gezondigd, ik ben het niet waard, maak me knecht. Hij heeft er de hele weg op geoefend.
Hij komt tot de tweede zin. Dan wordt hij onderbroken. De vader heeft het niet eens over de derde zin, over de knecht. Hij roept om kleren, een ring, schoenen, een feest. Alsof de zoon nooit weg is geweest.
En let op dat begin: toen hij nog ver weg was, zag zijn vader hem. Je ziet niemand van ver weg als je toevallig naar buiten kijkt. Je ziet iemand van ver weg als je elke dag op de uitkijk staat. De vader had gewacht. Al die tijd.
Oude mannen in het Midden-Oosten renden niet. Dat was beneden hun waardigheid. Deze rent. Hij tilt zijn gewaad op en rent, door het dorp, langs de buren, naar een zoon die stinkt naar varkens.
Dat is genade. Niet: je mag terugkomen als je genoeg spijt hebt. Maar: Ik sta al te kijken. Ik ren al. Je toespraak hoeft niet af.
Welke toespraak heb jij voorbereid? Je mag hem thuislaten.
Bron: Lucas 15:18-24 (BasisBijbel)