Vergeving & Genade·19 oktober·dag 292
De oudste broer
Het verhaal van de verloren zoon heeft een tweede helft die vaak wordt overgeslagen. Er is nog een zoon. Hij is nooit weggegaan, en hij is net zo verloren.
De jongste zoon is thuis, het feest is begonnen. En dan komt de oudste van het land. Hij hoort muziek. Hij vraagt een knecht wat er is. En als hij het hoort, wordt hij woedend en weigert naar binnen te gaan.
De vader komt naar buiten. Voor de tweede keer die dag gaat hij een zoon tegemoet.
En de oudste zegt wat hij al jaren dacht: “Ik heb al die jaren voor u gewerkt. Ik heb nooit iets verkeerd gedaan. En u hebt me nog nooit een bokje gegeven om feest te vieren met mijn vrienden. En nu komt die zoon van u, die alles heeft verbrast, en u slacht het kalf!”
Let op: die zoon van u. Niet: mijn broer.
Hij is nooit weggegaan. Hij heeft alles goed gedaan. En hij is net zo ver van zijn vader als zijn broer in het varkenshok was. Hij ziet zijn vader als een baas, zijn werk als verdienste, en genade als oneerlijk.
De vader zegt: “Jongen, jij bent altijd bij me. Alles wat ik heb is van jou.” Alles. Hij had elke dag een bokje kunnen slachten. Hij dacht dat hij het moest verdienen.
Jezus vertelde dit aan Farizeeën die mopperden omdat Hij met zondaars at. De oudste broer, dat waren zij. En dat is ook iedereen die lang genoeg in de kerk zit om te vergeten dat hij ooit thuis moest komen.
Het verhaal eindigt open. We horen niet of de oudste naar binnen gaat. Dat is aan jou.
Bron: Naar Lucas 15:25-32