Lijdenstijd·20 maart·dag 79
Bij het vuurtje
Petrus had gezworen dat hij zou blijven. Een paar uur later stond hij zich te warmen bij een vuur en zei hij drie keer: ik ken die man niet.
Het is koud in Jeruzalem, die nacht. Op de binnenplaats van de hogepriester brandt een vuurtje, en daar staat Petrus. Hij is de enige die is meegegaan, de enige die niet is weggerend. Dat moet gezegd.
En juist daar gaat het mis.
Een dienstmeisje kijkt hem aan: “Jij hoorde toch ook bij die man?” En Petrus, de rots, zegt: nee. Nog een keer: nee. En de derde keer vloekt hij erbij.
Dan kraait er een haan.
Lucas voegt er één zin aan toe die je nooit meer vergeet: De Heer draaide zich om en keek Petrus aan. Dat is alles. Geen verwijt, geen woord. Alleen een blik, dwars over die binnenplaats. En Petrus gaat naar buiten en huilt.
Ik denk dat we allemaal een binnenplaats hebben. Een moment waarop we zwegen terwijl we hadden moeten spreken. Waarop we deden alsof we er niet bij hoorden, omdat het makkelijker was. Op een verjaardag, op het werk, in een groepsapp.
Het bijzondere van dit verhaal is niet dat Petrus faalt. Het is hoe het afloopt. Een paar dagen later maakt Jezus een vuurtje op het strand, precies zo een als op die binnenplaats, en vraagt Hij drie keer: houd je van Mij? Drie vragen voor drie ontkenningen. En dan: volg Mij.
Die blik over de binnenplaats was geen afwijzing. Het was het begin van het terughalen.
Dus als jij vandaag met een binnenplaats in je hoofd loopt: Hij kijkt je aan. En Hij is het vuur al aan het maken.