Advent & Kerst·1 december·dag 335
Leren wachten
Laatste maand: Advent en Kerst. Advent betekent komst, en het is de tijd van wachten. Niet omdat wachten leuk is, maar omdat het ergens op uitkomt.
Vierhonderd jaar. Zo lang was het stil tussen de laatste profeet en de eerste engel. Vier eeuwen zonder een woord van God. Generaties die stierven zonder te zien waar ze op hoopten.
En toen, in een dorp dat niemand kende, bij een meisje dat niemand kende: een engel.
Advent is de tijd waarin de kerk dat wachten naspeelt. Vier weken, vier kaarsen, elke week één meer. Niet omdat we niet weten hoe het afloopt, maar omdat wachten iets met je doet dat direct krijgen niet doet.
Wie wacht, gaat verlangen. Wie verlangt, gaat opletten. Wie oplet, ziet het als het komt.
Onze tijd kan niet wachten. Alles is direct: bezorgd binnen een uur, gestreamd binnen een seconde, beantwoord binnen een minuut. En dus hebben we verleerd te verlangen. Kerst komt, en het is gewoon een dag met eten.
Deze maand oefen je het wachten. Elke dag een stukje van het verhaal, in de goede volgorde: eerst de belofte, dan het meisje, dan de reis, dan de nacht. Pas op de vijfentwintigste het kind. Niet eerder.
En je oefent ook het andere wachten. Want Advent gaat over twee komsten: de eerste, in Bethlehem, en de tweede, waar november over ging. We wachten nog. Op alle tranen die afgeveegd worden.
Vandaag: steek de eerste kaars aan bij je lichtplek. Zeg: Kom, Heer Jezus. En laat de rest van de dag een beetje leeg. Wachten heeft ruimte nodig.