Gebed·27 februari·dag 58
Toen het nog nacht was
Jezus had het drukker dan wie ook. Toch vond Hij tijd om te bidden. Hoe? Door op te staan terwijl iedereen sliep.
’s Morgens heel vroeg, toen het eigenlijk nog nacht was, ging Jezus naar buiten.
Marcus schrijft het bijna terloops. De avond ervoor stond het hele dorp voor de deur: zieken, bezetenen, nieuwsgierigen. Jezus heeft tot laat mensen genezen. En dan, voordat het licht wordt, staat Hij op en gaat Hij naar een stille plek om te bidden.
Simon en de anderen worden wakker, zien dat Hij weg is, en gaan Hem zoeken. Als ze Hem vinden, zeggen ze: Iedereen zoekt U! Er is werk te doen, er staan mensen te wachten. Jezus zegt: we gaan verder, naar de andere dorpen.
Twee dingen vallen op.
Ten eerste: Jezus had het niet makkelijker dan wij. Er was altijd iemand die Hem nodig had. Als Hij had gewacht tot het rustig was, had Hij nooit gebeden. Dus stond Hij op toen het nog donker was. Bidden kostte Hem iets: slaap.
Ten tweede: het gebed gaf richting. Na dat uur in de stilte wist Hij wat de volgende stap was. Niet blijven waar het succes was, maar verder gaan. Bidden was geen ontsnapping aan het werk, het was de bron ervan.
Je hoeft niet om vijf uur op te staan. Maar de vraag is eerlijk: wanneer is jouw stille plek? Als het antwoord “nooit” is, dan weet je nu wat Jezus zou doen.
Bron: Marcus 1:35-38 (BasisBijbel)